Stiekeme hulp werkt wel
Veel Nederlanders willen geen geld geven aan hongerend Afrika, omdat hulppakketten niet zouden aankomen. Vooral in zuid-Somalië. Toch komt er voedsel dat gebied in.
Tot nu toe gaven Nederlanders 17 miljoen euro voor hulp aan de hongerende bevolking in de hoorn van Afrika. In het zuiden van Somalië is de honger het ergst. Maar juist daar is het heel moeilijk om hulp te bieden, vanwege de oorlog en de heersende streng-islamitische rebellenbeweging Al-Shabaab, die vrijwel geen westerse hulpverleners in haar gebied toestaat.
Veel Nederlanders zijn daarom sceptisch over hulp: al zijn de beelden van de hongerende kinderen nog zo schrijnend, waarom geld geven als voedselpakketten niet aankomen?
Moeilijker dan Afghanistan
Volgens hulpverlener Marino Jansen, die vorige week nog in Somalië was, slaagt zijn organisatie er wel degelijk in om voedselpakketten en medicijnen bij de bevolking te krijgen. Hij werkt voor het Duitse Diakonie Emergency Aid.
Ook andere hulpverleners zeggen dat hulp toch mogelijk is, hoewel ze toegeven dat het vaak erg moeilijk is. ‘Somalië is een van de meest gecompliceerde plekken om hulp te leveren. Moeilijker dan Afghanistan’, zei Stefano Porretti, hoofd van het Wereld Voedselprogramma in The New York Times.
Al-Shabaab, dat banden heeft met Al-Qaida, wil geen enkele westerse invloed in de gebieden die het onder controle heeft. De beweging zou daarnaast ook nog eens hulp tegenwerken, voedsel verkopen voor wapens en Somaliërs die willen vluchten naar buurlanden tegenhouden en zelfs opsluiten in kampen.
Krijg dan maar eens je voedselpakketten bij de hongerende bevolking. ‘Ja, er gaat wel eens wat mis onderweg. Maar uit onze rapportages weet ik dat de meeste hulp aankomt’, zegt Jansen. ‘We doen het heel low profile.’ Op voedseluitdeelplekken hangen geen vlaggen. En de naam van de lokale Somalische organisatie die zorgt voor de verspreiding van eten houdt hij liever uit de publiciteit.
Westerlingen komen Zuid-Somalië dan wel niet in, lokale leiders geven best vaak toestemming aan Somalische organisaties om voedsel te verspreiden, zegt Jansen. Al is het ook met die goedkeuring beter om de hulpverlening low profile te doen. ‘Het is nooit zeker of je morgen nog steeds toestemming hebt’.
Volgens Jansen betalen de lokale organisaties geen premies aan Al-Shabaab. Uit verschillende onderzoeken komt namelijk naar voren dat hulpverleners de afgelopen jaren tussen de 5 en 20 procent van de waarde van een voedselproject moesten afstaan. Jansen: ‘Het verschil is dat wij werken met locals. Daar vragen ze niet zo snel premie aan.’
Jansen koopt eten in bij Somalische handelaren, die ook voor het transport zorgen. Ze krijgen pas betaald als het eten daadwerkelijk is afgeleverd bij een van de vele kleine kampen. ‘Dan zorgen ze er zelf voor dat de beveiliging van het transport goed is’, zegt Jansen. Denk aan één of meerdere bewapende mannen aan boord van een vrachtwagen.
Komt een transport bij een kamp aan, dan is er daar een Somaliër die zorgt voor het uitdelen van de pakketjes. Dat is een ‘contact’, vaak een leraar, van een van de lokale organisaties waarmee Diakonie Emergency Aid samenwerkt. ‘Dat zijn mensen van wie we door de jaren heen hebben geleerd dat we ze kunnen vertrouwen.’ Er zijn verschillende controlemechanismen, zoals bonnetjes, om te achterhalen of voedsel ook echt is afgeleverd.
Registratiegeld
Artsen Zonder Grenzen (AzG) is een van de weinige internationale hulporganisaties die zelf het gebied in mag, en dus niet afhankelijk is van lokale organisaties. Ze zit op zeven plekken. Let wel, niet met westerlingen, maar alleen met Somaliërs.
AzG weigerde ‘registratiegeld’ te betalen aan Al-Shabaab om het gebied in te mogen, zegt operationeel adviseur Jan Peter Stellema. Dat was geen probleem. Wel betalen medewerkers 5 procent inkomstenbelasting aan de beweging.
Honderden Somaliërs bemannen de ziekenhuizen en geven medische hulp, zegt Stellema. ‘Al-Shabaab wil zelfs niet met ons westerlingen praten via de telefoon. Als we willen onderhandelen, moeten lokale medewerkers dat doen. Dat is wel lastig’.
Via de telefoon en computer geven internationale medewerkers in Nairobi dagelijks advies over individuele patiënten. Nee, aan webcams of videoconferencing doen ze niet. Stellema: ‘Dan worden we misschien beschuldigd van spionage.’
Al-Shabaab spreekt ook niet met één mond. Leiders spreken elkaar regelmatig ronduit tegen. ‘Er zijn hardliners, en ook softliners.’ Zo is er best nog wat te regelen.
De rebellen hebben bovendien zelf ook belang bij medische hulp. Er zijn chiefs die de lokale bevolking tevreden willen stellen, zegt Jansen. En dat doe je volgens hem niet door medische hulp en voedsel te weren. Dan zijn er ook nog de Al-Shabaab strijders die bij AzG terecht kunnen voor medische hulp. Stellema: ‘Wij maken geen onderscheid. We plakken ook pleisters voor soldaten.’ Maar: ‘We houden goed in de gaten dat op een gegeven momenten niet de helft van onze patiënten soldaat is’. (De Pers)














Praat mee!